indruisen
Presens | Imperfectum | Perfectum | |
---|---|---|---|
ik | druis in | druiste in | heb ingedruist |
jij, je, u | druist in | druiste in | hebt ingedruist |
hij, zij, het | druist in | druiste in | heeft ingedruist |
wij | druisen in | druisten in | hebben ingedruist |
jullie | druisen in | druisten in | hebben ingedruist |
zij, ze | druisen in | druisten in | hebben ingedruist |
Presens
Example presens sentences for Indruisen with some of the pronouns.
- Ik druis in tegen zijn advies.
- Jij druist in tegen de regels.
- Hij/Zij druist in tegen de normen van de samenleving.
- Wij druisen in tegen de verwachtingen van onze ouders.
- Zij druisen in tegen de afspraken van de organisatie.
Imperfectum
Example imperfectum sentences for Indruisen with some of the pronouns.
- Ik druiste in tegen zijn advies.
- Jij druiste in tegen de regels.
- Hij/Zij druiste in tegen de normen van de samenleving.
- Wij druisten in tegen de verwachtingen van onze ouders.
- Zij druisten in tegen de afspraken van de organisatie.
Perfectum
Example perfectum sentences for Indruisen with some of the pronouns.
- Ik ben ingedruist tegen zijn advies.
- Jij bent ingedruist tegen de regels.
- Hij/Zij is ingedruist tegen de normen van de samenleving.
- Wij zijn ingedruist tegen de verwachtingen van onze ouders.
- Zij zijn ingedruist tegen de afspraken van de organisatie.