afsjacheren

Conjugations List of Afsjacheren.
Presens
Imperfectum
Perfectum
iksjacher afsjacherde afheb afgesjacherd
jij, je, usjachert afsjacherde afhebt afgesjacherd
hij, zij, hetsjachert afsjacherde afheeft afgesjacherd
wijsjacheren afsjacherden afhebben afgesjacherd
julliesjacheren afsjacherden afhebben afgesjacherd
zij, zesjacheren afsjacherden afhebben afgesjacherd

Presens

Example presens sentences for Afsjacheren with some of the pronouns.

  • Ik afsjacher
  • Jij afsjachert
  • Hij/Zij/Het afsjachert
  • Wij afsjacheren
  • Jullie afsjacheren

Imperfectum

Example imperfectum sentences for Afsjacheren with some of the pronouns.

  • Ik sjacherde af
  • Jij sjacherde af
  • Hij/Zij/Het sjacherde af
  • Wij sjacherden af
  • Jullie sjacherden af

Perfectum

Example perfectum sentences for Afsjacheren with some of the pronouns.

  • Ik heb afgesjacherd
  • Jij hebt afgesjacherd
  • Hij/Zij/Het heeft afgesjacherd
  • Wij hebben afgesjacherd
  • Jullie hebben afgesjacherd