inkleden
Presens | Imperfectum | Perfectum | |
---|---|---|---|
ik | kleed in | kleedde in | heb ingekleed |
jij, je, u | kleedt in | kleedde in | hebt ingekleed |
hij, zij, het | kleedt in | kleedde in | heeft ingekleed |
wij | kleden in | kleedden in | hebben ingekleed |
jullie | kleden in | kleedden in | hebben ingekleed |
zij, ze | kleden in | kleedden in | hebben ingekleed |
Presens
Example presens sentences for Inkleden with some of the pronouns.
- Ik kleed de kamer mooi aan voor het feest.
- Jij kleedt je altijd keurig aan voor werk.
- Hij kleedt zich snel om na het sporten.
- Zij kleedt de etalage prachtig aan met bloemen.
- We kleden de kinderen warm aan voordat we naar buiten gaan.
Imperfectum
Example imperfectum sentences for Inkleden with some of the pronouns.
- Vroeger kleedde ik me altijd in mijn favoriete outfit aan.
- Toen ik jong was, kleedde jij je graag als een prinses aan.
- Hij kleedde zich vaak casual aan tijdens zijn studententijd.
- Zij kleedde de poppen vroeger met veel zorg aan.
- We kleedden de woning gezellig aan voor de feestdagen.
Perfectum
Example perfectum sentences for Inkleden with some of the pronouns.
- Ik heb de tafel mooi aangekleed voor het diner.
- Jij hebt je gisteren netjes aangekleed voor de bruiloft.
- Hij heeft zich snel aangekleed voordat hij de deur uitging.
- Zij heeft de cadeaus feestelijk aangekleed met lint en strikken.
- We hebben de ruimte sfeervol aangekleed voor het evenement.